Op de vlucht september / oktober 1944 – verhaal van Anna Martens

In den avond van 26 september, omstreeks 10 uur, werd er aan de deur geklopt en werd ons aangezegd ‘t huis te verlaten omdat die nacht nog een zwaar bombardement zou volgen.
Toen ‘t dan enkele ogenblikken stil was hebben we vlug ons koffer met eten gepakt en een deken onder den arm, zoo ging ‘t dan op den Boschweg aan- Geheel de weg was verlicht van de grote branden die woedden in de fabriek van Jansen de Wit – tot tegenover de kerk daar zijn we dien nacht gebleven in de kelder, doch aan slapen was geen denken.
In den morgen van 27 Sept vluchten er steeds meer het dorp uit en om reden dat we daar ook niet konden blijven gingen we toen naar Middelrode – men wist niet waarnaartoe, ‘t beste zou zijn, toch hadden we wel de slechtste richting gekozen. Daar hadden we weer een nacht bij het hoofd der school in de kelder gezeten, doch dat was zoo klein dat wij den anderen nacht met nog meer anderen in een grote kelder van een vroegere bierbrouwerij terecht kwamen.
Ook daar kwamen de Duitschers steeds op zetten en kregen we ’t bevel om ‘t dorp te verlaten. Onder aanhoudend granaatvuur zouden we proberen in Berlicum, te komen doch halverwege moesten we een boerderij binnen vluchten omdat de granaten zo dicht bij ons insloegen. Dien dag konden we niet verder komen en hebben we den nacht in den kelder doorgebracht, doch ‘t mitrailleurvuur was dien nacht zo verschrikkelijk – we zaten toen tussen de Duitschers en de Engelsen in.
Den volgende dag bleef het granaatvuur aanhouden. Op den middag kwam er een voltreffer midden op de boerderij waar wij in den kelder zaten en wij geen hand voor ogen zagen van de stof die dwars door de kelder vloog, doch dat hadden we er goed afgebracht. Er waren geen ongelukken te betreuren. Diezelfde nacht hebben we nog in de kelder doorgebracht. Toen ‘t ‘s morgens om een uur of acht wat rustiger werd en er weer nieuwe vluchtelingen langskwamen, hebben we vlug ons boeltje gepakt en zo nar ‘t zusterklooster in Berlicum.
Daar voelde ik me weer wat veiliger in de gangen van ‘t klooster, maar alles was er stampvol. Doch ‘t duurde niet lang of moesten ik en Antoon weer ‘t klooster uit, omdat er te veel zieken en moeders met kinderen waren en zij niet alles konden herbergen.
Toen werden we naar een particulier huis gebracht met nog een vijftal andere mensen. Daar zaten we nu in een huis zonder bewoners. Edoch dat was niet ‘t ergst. De volgende dag kwamen er grote munitiewagens die zich vlek bij ‘t huis opstelden en ‘s nachts kwam de Engelse tank. Ik kreeg toen zo ‘n schrik dat ze dat kasteeltje in brand zouden schieten en wij vluchtten er weer uit, bij andere mensen in, die ook bijzonder goed voor ons waren. Het was dicht bij de kerk waar telkens de granaten op losbarstten. Doch een week lang hebben we ‘t daar uitgehouden. Toen kwam er een Duits bevel dat de gehele gemeente Berlicum moest ontruimen en allen voor 5 uur vertrokken moesten zijn. Zo een ellendige vlucht zal ik nooit vergeten.
Met duizenden ging het toen richting ‘s-Hertogenbosch, niet wetend waar onderdak te zullen vinden.
Ouden van dagen op karren, handwagens met wat beddengoed, kinderwagens en voor alles was het een treurige stoet om aan te zien en dan moesten we nog dikwijls plat tegen de grond als er granaten kwamen. Toen we aan Coudewater kwamen werd het rustiger, doch allen waren druipnat want het had die middag de hele tijd geregend.
De mensen in den Bosch stonden allemaal buiten toen die stroom van vluchtelingen eraan kwam. En weldra hadden we op de Graafseweg onderdak gevonden. De mensen waren ook buitengewoon goed voor ons. De eerste veertien dagen ging het heel goed, toen konden we ‘s nachts nog wel slapen al moesten we nog enkele malen naar de schuilkelder. Er kwamen nu en dan wel granaten maar dat was niet zo erg. Alles te zamen duurde ‘t maar te lang, hett was net of er gen verandering kwam en de weken schenen wel maanden. Tot op zekere zondagmorgen een ontzettend trommelvuur ratelde in de richting van Schijndel.
Enkele vliegtuigen zweefden boven de stad ‘s-Hertogenbosch en ‘t afweergeschut ging ontzettend tekeer.
We waren op weg naar de kerk toen een der vliegtuigen aangeschoten werd en zijn bommen loste vlek bij ons. Het was een vreselijke paniek. Drie huizenblokken stortten in en de kogels floten langs je oren. Er werd gebeden, geschreeuwd en hulp geroepen. Het was vreselijk en we konden nergens binnen. Het brandende vliegtuig viel nog geen 5 meter van het huis bij de mensen waar we onderdak hadden gevonden. Dat alles duurde maar enkele minuten.
Er waren 27 doden behalve de gewonden. Van die dag af is het niet meer goed geweest.
De granaten kwamen al langer hoe dichterbij en we moesten de hele tijd in de kelder blijven. Zo volgde ook de maandag maar in de nacht van maandag op dinsdag was er zulk vreselijk trommelvuur dat de gehele kelder zich als het ware op en neer bewoog.
Tegen de morgen begonnen de kanonnen te zwijgen en toen we het hoofd even buiten durfden te steken zagen we de laatste wegvluchtende Duitsers en de eerste Engelsen. Dat was een vreugde, bevrijd te zijn.
Maar toen was nog niet de hele stad vrij. Alleen een eind verder als wij waren, tot aan het kanaal. Zodoende konden we nog niet naar huis want de Duitsers schoten nog telkens terug.
Tot twee dagen voor Allerheiligen een broer van Antoon ons kwam halen en vertelde dat we weer terug mochten. Je kunt denken hoe blij we waren dat we weer naar huis konden al was er dan zoveel geplunderd en kapot.
Toen maar weer met nieuwe moed aan de slag.
 
Ik heb dit alles ter aanvulling bijgeschreven dan weet u precies hoe alles gegaan is.
Op die foto daar ziet u de eerste tank in de Pompstraat bij ons voor ‘t huis staan. Zo ziet u meteen waar wij wonen. Ik heb er een kruisje bij gezet.