Dagboek Willy Doreleijers 9 oktober 1944

In de nacht enkele malen zwaar geschut; om 0.15 uur zeer hevig. ‘s Morgens kwamen er weer jongens door de Hoofdstraat, met de schop op de schouder, die gedwongen werden loopgraven voor de Duitsers te maken. Verschillende van hen werden o.a. door wachtmeester Graat (die overigens zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt) in de kelders aangezegd mee te komen graven, anderen werden massaal uit de klooster- en schoolkelders gehaald.

Daar in de grote kelders echter verzet rees, omdat anderen vrij bleven, werden in enkele straten de jongemannen huis voor huis opgehaald. Dit had tot gevolg, dat vele jongens zich in de tuinen verscholen, o.a. tussen de tabaksplanten, totdat het gevaar voorbij was. Marinus van Osch, ‘n broer van Anny, die in de kelders van het klooster verbleef, liet zich flink in het verband wikkelen alsof hij zwaar gewond was, en zo ontkwam hij aan de verplichting om mee te moeten gaan graven.

De laatste dagen waren er weinig Duitsers in de Hoofdstraat, doch zoals uit het bovenstaande blijkt werd het er niet beter op. Ook niet, ofschoon de rangen van de officieren die in het hoofd kwartier der Duitsers in de villa van Harrie Jansen vertoefden, al sedert ‘n dag of drie omlaag gingen. Eerst was er namelijk een majoor, toen een kapitein en nu zou het nog maar een luitenant zijn (natuurlijk met overeenkomstige Duitse rangen). Het einde was nog niet in zicht.

Dikwijls hoorden we de granaten, die in den Borne of het Elde door de Duitsers afgeschoten werden, fluitend over ons heen komen. Dan kwamen ze midden in het dorp terecht.

De radio zou hebben gezegd, dat de geallieerden een nieuwe tactiek gaan toepassen. Dat gaf ons weer een beetje moed.